Activiteiten 2013 2014 2015

 

BRI cursus: in het eerste kwartaal van 2013 en 2015 is 2x een cursus gehouden.

Deze cursus omvat aspecten van de algemene wondbehandeling en die van brandwonden in het bijzonder.

De cursus is bedoeld voor medisch studenten, verpleegkundigen en alle artsen die incidenteel of regelmatig met brandwond-slachtoffers in aanraking komen.

De cursus wordt in principe aan het begin van ieder kalenderjaar gegeven, maar het doorgaan en de frequentie hangen af van de belangstelling en het aantal aanmeldingen.

Voor de meest actuele informatie wat betreft eventuele cursus-data verwijzen wij U naar het

email adres: brandwondencursus@gmail.com

 

Mede door ondersteuning vanuit het BRI, zijn de volgende proefschriften gepubliceerd: 

 26 april 2013 proefschrift Jos (A.F.P.M.)Vloemans

Aspects of burn care in children

Vrije Universiteit Amsterdam

 In deze thesis komen een aantal toekomstige ontwikkelingen betreffende wondbehandeling bij kinderen aan de orde. In dit proefschrift is beschreven dat de studies op het gebied van donorhuid, hydrofiberverband en Mepitel® weliswaar gedateerd mogen lijken, maar dat recent onderzoek laat zien dat geen van deze behandelmethoden gedateerd of verlaten zijn; integendeel, alle genoemde behandelingen worden nog steeds toegepast en er verschijnen nog jaarlijks artikelen van klinisch en preklinisch onderzoek.

De studiemethode van een aantal artikelen in dit proefschrift is verouderd, met betrekking tot studieopzet, uitkomstvariabelen en data-analyse. Hoewel op dit moment nog veel case- studies en cohortstudies worden gepubliceerd, worden ook op het gebied van wondbehandeling gerandomiseerde studies de standaard. Uitkomstvariabelen worden nauwkeuriger door gevalideerde objectieve en subjectieve liltekenmetingen. Ook methoden om oppervlak en diepte van de brandwond te bepalen zullen in de toekomst beter geobjectiveerd worden door de introductie van Laser Doppier Imaging en 3D-camera's.

Met betrekking tot nieuwe synthetische wondbehandelingsmaterialen zijn er recente ontwikkelingen. Voor de behandeling van oppervlakkig tweedegraads brandwonden lijken zilver bevattende foamverbanden, zoals Mepilex Ag® te leiden tot een verhoogd comfort voor de patiënt. Omdat deze verbanden een week op de wond kunnen blijven zitten, wordt het comfort voor de patiënt verbeterd en kan de opnameduur verkort worden. Ook de resultaten op het gebied van de wondbehandeling lijken gunstig, hoewel de lange termijn resultaten vooralsnog ontbreken. Diep tweedegraads brandwonden en mengverbrandingen worden na initiële behandeling met zilversulfadiazinecreme vroeg geëxcideerd en getransplanteerd. Ontwikkelingen op het gebied van een meer betrouwbare bepaling van de diepte van de brandwond, nauwkeuriger excisietechnieken en de ontwikkeling van dermale matrices zullen in de toekomst mogelijk tot een ander behandelbeleid leiden.

 De discussie over vroege en late wondexcisie bij brandwondpatiënten is nog niet beslecht. Over de vroege wondexcisie bij uitgebreide en diepe brandwonden is veel overeenstemming, vroege excisie heeft een vitale indicatie, necrotisch weefsel, een bron van toxinen wordt weggenomen, met als gevolg een verminderde ontstekingsreactie. Morbiditeit, mortaliteit en opnameduur worden beperkt bij vroege excisie, ten koste van een groter bloedverlies. Het eindresultaat, het resterende litteken is echter in de regel slecht van kwaliteit.

De ontstekingsreactie bij kleine, niet-Ievensbedreigende brandwonden, kan ook een rol spelen bij het eindresultaat van de behandeling, de littekenvorming. Op de verdieping van brandwonden, door het lokale ontstekingproces in de wond, is nog geen antwoord gevonden. Door het creëren van een vochtig wondmilieu, het voorkomen van wondinfectie en door het beperken van wondbeschadiging bij verbandwisselingen, wordt geprobeerd verdieping van de wond te beperken. Er zijn recente technische ontwikkelingen die het mogelijk maken om de necrose van de brandwond nauwkeuriger te excideren, waarbij vitaal weefsel gespaard blijft. Het behulp van hydrosurgery (Versajet®) is dit mogelijk. In een aantal studies werden wonden op deze manier geëxcideerd en vervolgens bedekt met een xenograft, Transcyte® of Biobrane. Een nieuw ontwikkeld synthetisch verbandmiddel, Suprathel®, kan mogelijk in de toekomst ook met deze excisietechniek worden gecombineerd.

Bij diepe brandwonden treedt verlies van dermis op, dat bij transplantatie met een dun gespleten huidtransplantaat slechts gedeeltelijk wordt aangevuld. Dit verlies lijkt gecompenseerd te kunnen worden door het huidtransplantaat aan te vullen met een dermale matrix, zoals Matriderm®. In onze kliniek is aangetoond dat deze methode een beter litteken geeft. Combinatie van een dermale matrix met gekweekte keratinocyten zou wellicht in de toekomst betere resultaten kunnen geven bij de behandeling van derdegraads brandwonden. De kosten van deze techniek zijn hoog, maar als de liltekenvorming gunstig is, kan het wellicht toch kosteneffectief zijn.

Met de huidige stand van de medische techniek zijn patiënten met uitgebreide en diepe brandwonden goed te behandelen. Resuscitatie, infectiepreventie en behandeling van het inhalatietrauma hebben de mortaliteit bij uitgebreide brandwonden aanmerkelijk gereduceerd. Op het gebied van littekenpreventie moet echter nog veel werk worden verzet.

  

05 juli 2013 proefschrift Martijn B.A. van der Wal

On burn scar outcome.

Clinimetrics and clinical studies.

Vrije Universiteit Amsterdam

Ontwikkelingen in de acute brandwondenzorg hebben de overlevingskans van patiënten met ernstige brandwonden aanzienlijk verbeterd. Nu steeds meer patiënten met ernstige brandwonden overleven, ligt de volgende uitdaging in het verbeteren van de kwaliteit van leven na brandwonden. Hierbij is het optimaliseren van littekenkwaliteit een belangrijke parameter. Op dit moment is er, door een gebrek aan goed opgezette studies en een beperkt gebruik van geschikte evaluatieinstrumenten om de kwaliteit van het litteken te meten, weinig wetenschappelijk bewijs op het gebied van brandwondenlittekenzorg.

 Het doel van dit proefschrift is om methoden voor brandwondenlittekenevaluatie te verbeteren en daarmee kennis op het gebied van brandwondenlittekens te verbeteren, en daarmee de kwaliteit van de brandwondenzorg. In het eerste deel van dit proefschrift wordt er een overzicht gegeven van de beschikbare subjectieve en objectieve littekenevaluatieinstrumenten en worden hun klinimetrische eigenschappen besproken. Vervolgens worden de klinimetrische eigenschappen van de Patient and Observer Scar Assessment Scale (POSAS) uitgelicht. Tevens worden vier objectieve littekenevaluatieinstrumenten beoordeeld en aanbevelingen gedaan voor hun klinische toepassing. Ten slotte worden drie klinische studies gepresenteerd, die het normale beloop van brandwondenlittekens en klinische voorspellers voor littekenkwaliteit beschrijven en de klinische effectiviteit van twee (vroege en late) interventies onderzoeken.

 

 03 september 2013 proefschrift Anne Bakker

Beyond pediatric burns.

A family perspective on psychological consequences of burns in children.

Universiteit Utrecht

 In dit proefschrift onderzochten we psychische gevolgen van brandwondenongevallen bij kinderen en ouders, samenhangen binnen het gezin (ouder-kind en moeder-vader subsysteem) en de mogelijke effecten van het meegaan op een vakantieweek. Ons literatuuronderzoek liet zien dat veel kinderen last hebben van acute stress symptomen of verstoord gedrag tijdens de opname in het brandwondencentrum. Op de lange termijn suggereert het beschikbare onderzoek dat de meeste kinderen zich goed aan hun situatie aanpassen. Doordat deze studies vaak cross-sectioneel van aard waren en generieke onderzoeksinstrumenten gebruikten, is de kennis over mogelijke problemen en uitdagingen die kinderen in de loop van hun leven tegenkomen beperkt. Mogelijk belangrijke onderwerpen om mee te nemen in toekomstig longitudinaal onderzoek zijn de beleving van het uiterlijk en ervaringen van kinderen in het sociale domein.

 In onze prospectieve onderzoeken vonden we dat een aanzienlijk gedeelte van de ouders posttraumatische stress reacties vertoonde na het brandwondenongeval van hun kind, waarbij moeders over het algemeen meer symptomen rapporteerden dan vaders. Anderhalf jaar na het ongeval had in één op de vijf gezinnen nog altijd minimaal één ouder last van klinisch significante symptomen. De gedachte dat het kind het ongeval niet zou overleven en schuldgevoelens en boosheid over het brandwondenongeval, alleen meestal sterker aanwezig bij moeders dan bij vaders, kunnen belangrijke factoren zijn om ouders die risico lopen op lange termijn stressklachten vroegtijdig te signaleren. Daarbij bleek de mate van littekens van invloed te zijn op de relatie tussen schuldgevoelens en stressklachten van de moeder vele jaren later. De samenhang in vermijdingssymptomen binnen ouderparen en de samenhang tussen symptomen van ouders en het kind benadrukken het belang van een brede gezinsfocus in de brandwondenzorg.

 Tot slot presenteerden we een bio-ecologisch perspectief op het ondersteunen van kinderen na een brandwondenongeval. Het ondersteunen van ouders, waarbij speciaal gelet moet worden op de wisselwerking tussen ouders, en het versterken van bestaande vaardigheden en bronnen van gezinnen worden aanbevolen als essentiële onderdelen van ondersteuning na brandwonden. Daarnaast lijken de effecten van lotgenotencontact veelbelovend. Dit zou bijvoorbeeld vertaald kunnen worden naar groepsinterventies voor kinderen met brandwonden. Hoewel vele psychosociale onderwerpen in dit veld nog onderzoek behoeven en dit proefschrift ook vragen voor vervolgonderzoek oproept, hopen we dat dit proefschrift ook bij kan dragen om een veelomvattend nazorgprogramma voor kinderen met brandwonden en hun gezin verder te ontwikkelen.

 

 27 september 2013 proefschrift Alette de Jong

Notes on burn nursing.

Aspects of pain management.

Pijn is een hardnekkig probleem in de brandwondenzorg. De aanpak van dit zorgprobleem vereist adequate meting van pijn, omdat dit van substantieel belang is om individuele pijnbehandeling te verbeteren. Ook zou de farmacologische behandeling moeten worden aangevuld met niet-farmacologische interventies. Het doel van dit proefschrift is bij te dragen aan adequate pijnbehandeling door pijnmeting te standaardiseren, maar ook door de laatste inzichten op het gebied van niet-farmacologische interventies aan het licht te brengen. Conclusies met betrekking tot pijnmeting zijn dat het betrouwbare en valide pijnmeetinstrumenten arsenaal is uitgebreid en dat instrumenten voorzien zijn van afkappunten. Dit betekent dat het meten van pijn nu mogelijk is voor een grotere groep van patiënten met brandwonden en dat afkappunten gebruikt kunnen worden voor het ontwikkelen van stroomdiagrammen voor behandelprotocollen. Conclusies met betrekking tot niet-farmacologische interventies zijn dat hypnose, een snelle vorm van hypnose ('rapid induction analgesia') en een afleidings-ontspanningsinterventie geïmplementeerd kunnen worden in de verpleegkundige praktijk en zelfstandig door verpleegkundigen kunnen worden uitgevoerd.

 

In opdracht van het BRI is onderzoek verricht naar de mogelijkheid van een in hoge mate gestandaardiseerde honing (Honeysoft®) om de door bacteriën gevormde biofilm uit te schakelen.

 Biofilms verhinderen de werking van locaal-therapeutica om het brandwonden-oppervlak vrij van bacteriën te houden.

Het onderzoek toont aan dat dit inderdaad het geval is.

Hieronder volgt een korte samenvatting van het onderzoek:

Honey Report Burns Institute

1.0 Aim                                                                                                                 

 

2.0 Materials and Methods 

 

3.0 Results 

 

4.0 Discussion 

 

 

1.0 Aim 

 

To assess the biofilm removal capabilities of a honey impregnated wound dressing against 

Pseudomonas aeruginosa biofilms using the CDC reactor model.  

 

Materials and Methods  

 

2.1 Test Microorganism 

 

Pseudomonas aeruginosa (NCIMB 10434)  

 

2.2 Test Samples 

 

The test samples used throughout this study are detailed in Table 1. 

 

 Agent Name               Active Agent     Manufacturer                Lot No.             Expiry Date 

 

 Honeysoft®               Honey              Taureon                        1010130121      01/01/16 

 

 PBS (Control)             n/a                   Fisher                          D23796            20/12/13 

 

 Table 1. Details of test agents used to treat P. aeruginosa biofilms. 

 

2.3 Preparation of Bacterial Inoculum  

 

A 24 hour culture of P. aeruginosa was harvested from a Typtone Soya Agar (TSA) plate using 

 

a sterile swab and resuspended in 20ml of Typtone Soya Broth (TSB). The bacterial suspension was diluted to give an OD590 = 0.13±0.03 which corresponds to approximately 10 cfuml. This was further diluted in TSB (containing 1% foetal bovine serum) and used to inoculate the CDC reactor containing the test coupons. The initial inoculum concentration was 1.3 x 10 cfuml.

 

2.4 Biofilm removal 

 

P. aeruginosa biofilms were established for 48 hours on polycarbonate coupons. Coupons were removed from the reactor and treated by sandwiching the coupon between 2 cm samples of Honeysoft or immersing the coupon in 2ml PBS for either 4 hours or 24 hours, at 37°C. In order to quantify the number of viable bacteria remaining on the coupons after each treatment time, the coupons were briefly washed in PBS (to remove any planktonic bacteria) and then placed in 2ml of neutralising solution and sonicated in a water bath for 15 minutes.

 

Serial dilutions were then prepared on these samples and each dilution plated onto TSA plates. All samples were tested in triplicate.

 

3.0 Results 

 

3.1 Biofilm removal  

 

Following both 4 hours and 24 hours of treatment the Honeysoft wound dressing successfully removed 48 hour biofilm material such that no viable bacteria were recovered from the coupons. In both instances this represented a greater than 5 log reduction in viable bacteria compared with the positive control samples that had been treated with PBS

 

4.0 Discussion 

 

Honeysoft wound dressings were shown to remove 48 hour P. aeruginosa biofilm material

under the conditions of this study. This study incorporated a 1% protein source which can been seen to inactivate other antimicrobial agents, suggesting that the activity of Honeysoft may not be diminished in the in vivo scenario. Further testing using simulated wound fluids, low levels of flowing nutrients and a continued re-inoculation with mixed species inoculums would help to support the suggestion that Honeysoft can be used to effectively treat chronic non healing wounds that are stalled due to complex biofilm infections.

 4.1 Future work 

 

      •     Repetition of the experiment using more mature biofilms would be more indicative of the in vivo situation.   

 

      •     Repetition of the experiment using multispecies bacterial biofilms would demonstrate the efficacy of Honeysoft against typical in vivo biofilms.   

 

      •     The inclusion of simulated wound fluid would be more indicative of the in vivo situation.      

 

      •     An experiment that incorporated nutrient flow and bacterial re-inoculation over a prolonged period of time would further mimic the in vivo scenario in terms of replicating dressing change intervals and the production of wound fluid.